Met de Industrial Decarbonisation Accelerator Act presenteerde de Europese Commissie onlangs haar strategie om de Europese industrie concurrerender én klimaatneutraal te maken. Onderdeel daarvan is de opname van afvalverbranding in het ETS. Volgens de Commissie zijn een hogere CO₂-prijs en grootschalige CO₂-afvang en -opslag noodzakelijk om de klimaatdoelen te halen en de circulaire economie te versterken.
CCS is onmisbaar
Niet alleen de Europese Commissie wijst op het belang van CCS. Uit recent onderzoek van PwC blijkt dat de Nederlandse industrie haar klimaatdoelen richting 2050 nauwelijks kan realiseren zonder grootschalige CO₂-afvang. Richting 2040 kan jaarlijks circa 21 miljoen ton CO₂ worden afgevangen en opgeslagen. Voor AEC's is CCS zelfs de enige verduurzamingsroute. Hun processen zijn niet te elektrificeren of volledig te vervangen door waterstof. Zolang er niet-recyclebaar restafval bestaat, blijft thermische verwerking noodzakelijk.
PwC noemt CCS daarom de meest logische en kosteneffectieve manier om de resterende fossiele emissies terug te dringen. Nederlandse AEC's kunnen daarmee volgens berekeningen van PWC jaarlijks circa 1,9 miljoen ton CO₂ afvangen, goed voor ongeveer 91 procent van de huidige uitstoot.: AEC's moeten de komende jaren grote bedragen investeren in CCS om de doelstellingen te bereiken, hoewel de randvoorwaarden daarvoor nog niet volledig op orde zijn. Juist daarom is investeringszekerheid crucial.
Trage invoering
Toch is de Nederlandse AEC-sector teleurgesteld over het Brusselse ETS-voorstel. De Europese Commissie wil afvalverbranding pas tussen 2031 en 2034 volledig onder het ETS brengen. In 2031 valt 25 procent van de emissies onder het systeem, gevolgd door 50 procent in 2032 en 75 procent in 2033. Pas vanaf 2034 geldt het ETS volledig voor AEC's. Volgens de Commissie biedt deze overgangsperiode bedrijven voldoende tijd om zich voor te bereiden. Voor Nederlandse AEC's betekent dit echter dat zij nog jarenlang met een nationaal kostenpakket blijven zitten, terwijl veel concurrenten in andere Europese lidstaten dergelijke lasten niet of nauwelijks kennen.
Meten met twee maten
Het verschil met de reguliere industrie is opvallend. Het kabinet schafte de nationale CO₂-heffing voor industriële bedrijven af, omdat zij onvoldoende handelingsperspectief hebben om hun uitstoot snel terug te dringen. Door netcongestie kunnen veel processen niet worden geëlektrificeerd en de noodzakelijke CCS-infrastructuur, waaronder Aramis, is nog niet beschikbaar. Tegelijkertijd blijft de industrie via het Europese ETS wél geprikkeld om haar CO₂-uitstoot te verminderen. Voor AEC’s gelden dezelfde randvoorwaarden. Zij kunnen hun processen niet elektrificeren; zij verwerken nu eenmaal restafval dat niet kan worden gerecycled. Ook voor hen is CCS de enige realistische route naar verdere emissiereductie en ook zij moeten wachten op de aanleg van infrastructuur zoals Aramis, die naar verwachting pas rond 2031 beschikbaar komt.
Toch bleef de nationale CO₂-heffing voor AEC's bestaan, omdat afvalverbranding nog niet onder het Europese ETS viel. Met het besluit van de Europese Commissie om afvalverbranding alsnog gefaseerd onder het ETS te brengen, vervalt die redenering. Daarmee is steeds moeilijker uit te leggen waarom AEC's tot 2031 een nationale CO₂-heffing moeten blijven betalen, die uitsluitend tot een enorme kostenstijging leidt.
Kritieke overgangsjaren
Juist in de periode van 2027 tot en met 2031 ontstaat een fors ongelijk speelveld. Nederlandse AEC's betalen in die jaren al een nationale CO₂-heffing, terwijl veel buitenlandse afvalverwerkers pas vanaf 2031 geleidelijk met ETS-kosten worden geconfronteerd. Daardoor wordt het aantrekkelijker om Nederlands restafval over de grens te verwerken. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse AEC's, maar ook voor hun investeringsmogelijkheden. Juist in deze periode verwacht de overheid dat zij honderden miljoenen euro's investeren in CO₂-afvang en -opslag. Tegelijkertijd bestaat onzekerheid over het toekomstige afvalaanbod, doordat afval kan uitwijken naar buitenlandse verwerkers met lagere kosten. Dat maakt het aantrekken van financiering voor CCS-projecten aanzienlijk lastiger.
De grootste uitdaging ligt dus niet in de invoering van het ETS, maar in de overgangsperiode tot 2031, waarin Nederlandse AEC's al wel nationale lasten dragen, maar nog niet op basis van een gelijk Europees speelveld actief kunnen zijn op de markt.
Kabinet aan zet
Met het besluit van de Europese Commissie om afvalverbranding gefaseerd onder het ETS te brengen, vervalt de belangrijkste rechtvaardiging van de regering voor een aparte nationale CO₂-heffing voor AEC's. De argumenten die voor het kabinet aanleiding waren de nationale CO₂-heffing voor de reguliere industrie af te schaffen, gelden in belangrijke mate ook voor AEC’s.
De sector roept het kabinet daarom op de nationale CO₂-heffing voor AEC's op te schorten, net zoals eerder is gedaan voor de reguliere industrie, totdat afvalverbranding volledig onder het Europese ETS valt of CCS-infrastructuur zoals Aramis beschikbaar is. Alleen zo ontstaat een gelijker Europees speelveld én de investeringszekerheid die nodig is om de honderden miljoenen euro's aan CCS-investeringen mogelijk te maken.
